
De Commissie heeft beslist een aanmaningsbrief op grond van artikel 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te sturen aan België(INFR(2019)2299) wegens niet-nakoming van het arrest van 5 juni 2025 het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zaak C-543/24. Het Hof concludeerde dat de federale regering, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de in de richtlijn betalingsachterstand vastgestelde betalingstermijnen niet in acht hadden genomen. De beslissing maakt deel uit van de handhavingsinspanningen van de Commissie om belemmeringen op elf aandachtsgebieden van de eengemaakte markt weg te nemen, zoals aangekondigd in de mededeling “Eenvoudigere, duidelijkere en beter gehandhaafde EU-regels”. Hoewel de federale regering en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest sindsdien hebben voldaan aan de verplichtingen van de richtlijn met betrekking tot betalingstermijnen, overschrijden de betalingstermijnen in het Waalse Gewest nog altijd de voorgeschreven termijnen. De Commissie is van mening dat België nog niet alle nodige maatregelen heeft getroffen om aan het arrest van het Hof van Justitie te voldoen, omdat de betalingstermijnen in het Waalse Gewest de in de richtlijn vastgestelde termijnen blijven overschrijden. Betalingsachterstanden van overheidsinstanties kunnen een domino-effect teweegbrengen waardoor directe leveranciers te weinig contant geld hebben en hun kasstroom wordt verstoord, hun betalingen aan onderaannemers en andere zakenpartners worden vertraagd en uiteindelijk de bredere toeleveringsketen wordt verstoord. Daarom stuurt de Commissie België een aanmaningsbrief. België heeft twee maanden de tijd om te reageren en de nodige maatregelen te treffen. Anders kan de Commissie beslissen de zaak op grond van artikel 260 VWEU aanhangig te maken bij het Hof van Justitie, met een verzoek om financiële sancties op te leggen.
De Europese Commissie heeft vandaag beslist aanmaningsbrieven te sturen aan Bulgarije (INFR(2026)4013), België (INFR(2026)2131), Tsjechië (INFR(2026)2127), Nederland (INFR(2026)2129), Polen (INFR(2026)2130) en Slovenië (INFR(2026)2128), alsook een met redenen omkleed advies aan Duitsland (INFR(2022)2019) wegens het niet naleven van de richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving (Richtlijn (EU) 2016/680). De richtlijn regelt de verwerking van persoonsgegevens door rechtshandhavingsinstanties, zodat die bij het uitvoeren van hun taken het grondrecht op gegevensbescherming naleven. Alle EU-landen die vandaag aanmaningsbrieven hebben ontvangen, hebben de regels voor de uitoefening van het recht op gegevensbescherming onjuist omgezet. In april 2022 heeft de Commissie een aanmaningsbrief gestuurd aan Duitsland wegens onvolledige omzetting van de richtlijn. Tot nu toe heeft Duitsland nog geen omzettingsmaatregelen vastgesteld die relevant zijn voor de verwerking van gegevens door de federale politie. Daarom stuurt de Commissie België, Bulgarije, Tsjechië, Nederland, Polen en Slovenië een aanmaningsbrief en Duitsland een met redenen omkleed advies. Die landen hebben nu twee maanden tijd om te reageren en de door de Commissie gesignaleerde tekortkomingen aan te pakken. Als er geen bevredigend antwoord komt, kan de Commissie beslissen België, Bulgarije, Tsjechië, Nederland, Polen en Slovenië een met redenen omkleed advies te sturen en Duitsland voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te dagen, met een verzoek financiële sancties op te leggen.