

Volgens het tussentijdse rapport zouden de gecumuleerde loonstijging sinds 1996 in ons land in 2026 terug lager uitvallen dan gemiddeld in de buurlanden (-1%). Daarmee zou de loonhandicap die in 2022-2023 gecreëerd was doordat de combinatie van de inflatieschok en onze automatische loonindexering de lonen in ons land duidelijk forser deed stijgen dan in de buurlanden, terug weggewerkt zijn. Op die manier heeft de loonnorm gedaan waarvoor ze bedoeld is, m.n. het corrigeren van eerdere ontsporingen van onze loonkosten (meestal gelinkt aan de automatische loonindexering).
Dat verandert op zich niets aan de loonontwikkeling voor dit jaar, maar heeft wel implicaties voor het loonoverleg voor 2027-2028. Volgend jaar maakt de CRB een nieuwe update die dan als basis zal dienen voor het bepalen van de beschikbare marge voor reële loonstijgingen in ons land. Als het huidige plaatje daarbij bevestigd wordt (geen loonhandicap meer t.o.v. 1996) en de lonen in de buurlanden worden verwacht in 2027-2028 meer te stijgen dan de verwachte inflatie in ons land, dan zal er voor het volgende Interprofessioneel Akkoord terug marge zijn voor een reële loonstijging bovenop de indexering. Hoeveel die marge zal zijn, zal afhangen van de verdere loonontwikkeling en de verwachtingen daarrond in de buurlanden, wat de vooruitzichten zullen zijn voor de inflatie en ook van hoe de centenindex bij ons concreet uitgewerkt wordt. Op dit moment is het alvast voorbarig om daar grote voorafnames op te doen.
Het patroon in de loonontwikkeling van de voorbije jaren is een terugkerend fenomeen: een onverwachte prijsschok doet onze loonkosten veel sneller stijgen dan in de buurlanden, en daarna wordt die loonhandicap terug weggewerkt via een aantal jaren van volgehouden loonmatiging (en daarna is het weer wachten op de volgende inflatieverrassing). Dat betekent wel dat onze bedrijven elke keer een aantal jaar moeten overbruggen met een duidelijke loonhandicap tegenover hun concurrenten in de buurlanden.
Bovendien is het hele loonvormingsproces geënt op het startjaar 1996. De historische loonhandicap van daarvoor wordt niet meer in rekening gebracht. Vandaag horen de totale loonkosten in de private sector in ons land nog altijd bij de hoogste van Europa, 29% boven het gemiddelde in de eurozone en 10% boven het gemiddelde in de buurlanden.
Nog belangrijker is dat de concurrentiepositie van onze exportbedrijven nog altijd vrij wankel staat. Volgens de nieuwste vooruitzichten van het Planbureau zouden de buitenlandse afzetmarkten van onze exporteurs in de periode 2025-2031 met 20% (in volume) groeien, terwijl de Belgische export in diezelfde periode maar met 12% zou toenemen. Dat impliceert een duidelijk verlies aan internationaal marktaandeel voor onze exporteurs. Dat past trouwens in een langere trend van afbrokkelend marktaandeel (met 36% sinds 1996).
Onze concurrentiepositie blijft dus onder druk staan. Dat is veel ruimer dan enkel loonkosten (o.m. energiekosten spelen daarbij ook een rol), maar geeft meteen ook aan dat voorzichtigheid geboden blijft voor die concurrentiepositie.
De vakbonden grijpen het CRB-rapport nog maar eens aan om hun pleidooi voor vrije loononderhandelingen te herhalen. Dat is volkomen terecht. Ons starre loonvormingsproces is niet geschikt voor de huidige wereld van snel veranderende omstandigheden. Een veel flexibelere loonvorming zou veel beter geschikt zijn voor onze economie, en zou ook bijdragen tot een hoger economisch potentieel, bijvoorbeeld doordat het er beter voor zou zorgen dat mensen meer op de voor hen beste plaats binnen onze arbeidsmarkt terecht zouden komen.
Alleen ‘vergeten’ de vakbonden in hun pleidooi een essentieel stuk van de puzzel: de Belgische loonvorming wordt gebetonneerd door de loonnorm EN door de automatische loonindexering. De loonnorm is net bedoeld om de uitwassen van die automatische loonindexering binnen de perken te houden. Enkel de loonnorm afschaffen en de automatische loonindexering behouden, voert ons terug naar het systeem van een paar decennia geleden wat zowat continu onze concurrentiepositie onder druk zette, met nefaste gevolgen voor onze economie. De loonnorm en de automatische loonindexering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Onze economie zou inderdaad beter af zijn met vrije loononderhandelingen, maar dan wel echt vrije onderhandelingen. Dat betekent zonder loonnorm en zonder automatische indexering (zoals in zowat de hele wereld vandaag al het geval is). Dan kunnen werknemers en werkgevers in onderling overleg afspraken maken die afgestemd zijn op de specifieke bedrijfsomstandigheden en de economische situatie.