
De wetgever maakt een onderscheid tussen drie categorieën meerwaarden, waarbij de algemene of restcategorie bestaat uit overdrachten onder bezwarende titel van zogenaamde ‘financiële activa’ (1), die verder onderverdeeld worden in vier (sub)categorieën:
I. ‘Financiële instrumenten’ (2): hierbij valt onder meer te denken aan aandelen in vennootschappen, obligaties, opties, futures en swaps;
II. Bepaalde verzekeringscontracten en kapitalisatieverrichtingen: in het algemeen worden enkel de (levens)verzekeringsovereenkomsten geviseerd die een spaar- en/of beleggingscomponent omvatten en die betrekking hebben op takken 21, 22, 23 of 26 en vergelijkbare levensverzekeringen en kapitalisatieovereenkomsten afgesloten buiten de Europese Unie. Hierbij is het belangrijk om op te merken dat de tak 21 verzekeringscontracten zonder spaar- of beleggingsdoelstelling die uitsluitend voorzien in een uitkering bij overlijden en die enkel worden afgesloten om de terugbetaling van het kapitaal van een krediet te dekken (schuldsaldoverzekering) of de uitvaartkosten van de verzekerde (uitvaartverzekeringen) niet gevat worden;
III. Cryptoactiva, zijnde “enige digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen, met gebruikmaking van distributed-ledger-technologie of vergelijkbare technologie met inbegrip van niet-verwisselbare tokens die voor betalings- of investeringsdoeleinden gebruikt kunnen worden” (3). Ook zogenaamde niet-inwisselbare tokens (NFT’s) worden gevat;
IV. Valuta en beleggingsgoud: Geldmiddelen in een vreemde munt, tenzij zij worden aangehouden op een betaalrekening, vallen in principe ook onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Hetzelfde geldt voor digitale centralebankmunten. Ook goudstaven en gouden munten worden geviseerd, althans voor zover zij een bepaalde zuiverheid hebben en aan bepaalde specifieke vereisten voldoen.
Activa die niet kwalificeren als ‘financiële activa’, zoals bijvoorbeeld kunstvoorwerpen, juwelen, zilver zijn niet onderworpen aan de nieuwe meerwaardebelasting.
Verder heeft de wetgever voorzien in twee ‘bijzondere’ categorieën van belastbare meerwaarden, te weten de zogenaamde “interne meerwaarden” en de meerwaarden gerealiseerd op een “aanmerkelijk belang”.
Het toepassingsgebied van deze categorieën van meerwaarden is beperkter dan dit van de restcategorie en geldt slechts voor de overdracht onder bezwarende titel van aandelen of winstbewijzen, waarbij tevens bijkomende voorwaarden voorzien worden over het deelnemingspercentage van de overdrager in respectievelijk de overnemende of de overgedragen vennootschap. Beide categorieën en hun specifieke aandachtspunten en gevolgen worden nader toegelicht in volgende artikelen.
Dat de praktische implementatie van de nieuwe meerwaardebelasting complex kan worden, bewijzen de vele vragen die tijdens het wetgevend proces werden gesteld aan de minister van Financiën in de commissie voor Financiën en Begroting. We lichten er graag twee bijzonderheden uit.
Ten eerste bevestigde de minister dat ook zogenaamde ‘cash lines’, rekeningen in buitenlandse valuta gekoppeld aan een effectenrekening, als ‘financieel actief’ onderworpen zijn aan de meerwaardebelasting. We denken dan bijvoorbeeld aan een dollarrekening die beleggers dikwijls aanhouden om Amerikaanse aandelen te kunnen kopen en verkopen zonder daarbij telkens bancaire wisselkoerskosten op te lopen. Dit betekent concreet dat men bij elke transactie op een dergelijke rekening, bijvoorbeeld de aankoop van effecten in buitenlandse valuta of de omzetting van de buitenlandse valuta naar euro, moet nagaan of er sprake is van een wisselkoersmeerwaarde die belastbaar is onder de meerwaardebelasting.
Deze wisselkoersmeerwaarden moeten bovendien door de belegger zelf worden aangegeven en worden niet onderworpen aan de roerende voorheffing ingehouden door Belgische financiële instellingen. Belastingplichtigen die dergelijke rekeningen in vreemde valuta aanhouden, zullen hierdoor verplicht worden hun administratie zeer nauwkeurig bij te houden en mogelijks bijzonder complexe berekeningen te doen om hun fiscale aangifteverplichtingen correct te kunnen vervullen. Het zal hiervoor nog moeten blijken of het sop de kolen waard is.
Ten tweede stelt de minister dat ook aandelen van een maatschap als ‘financieel actief’ onderworpen zijn aan de meerwaardebelasting, ook al bevinden er zich in het maatschapsvermogen geen financiële activa. We denken dan bijvoorbeeld aan de situatie waarin een maatschap enkel kunst aanhoudt. Het lijkt ons evenwel niet correct dat meerwaarden op niet-belastbare activa belastbaar worden onder de nieuwe meerwaardebelasting enkel vanwege het feit dat deze via een maatschap worden aangehouden.
Een dergelijke interpretatie miskent ons inziens de principiële fiscale transparantie van de maatschap. Deze fiscale transparantie zorgt er immers niet enkel voor dat vennoten van een maatschap bij verschuivingen in het vermogen van deze maatschap dezelfde fiscale behandeling ondergaan als wanneer een identieke vermogensverschuiving zou plaatsvinden in hun (eigen) privévermogen, maar ook dat een overdracht van de aandelen in de maatschap zelf fiscaal behandeld moet worden als werden de onderliggende vermogensbestanddelen zelf overgedragen. Wanneer de door de maatschap aangehouden activa aldus niet kwalificeren als financiële activa in de zin van artikel 90, eerste lid, 9° WIB en niet onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen, zou deze conclusie gezien de fiscale transparantie van de maatschap niet anders mogen zijn bij overdracht van de aandelen van deze maatschap.
Als we bovendien de interpretatie om deelbewijzen in een maatschap op zichzelf te beschouwen als belastbare ‘financiële activa’ zouden doortrekken naar de situatie van een overdracht onder bezwarende titel van deelbewijzen in een maatschap die wel financiële activa aanhoudt, zou dit dan potentieel zelfs tot een probleem van dubbele belasting kunnen leiden. Dit lijkt ons evident niet conform de bedoeling van de wetgever.
Dit is in elk geval een bijkomend aandachtspunt dat van het gebruik van een maatschap nog meer maatwerk maakt. In een afzonderlijk artikel in deze reeks zullen we later nog meer in het algemeen ingaan op de impact van de meerwaardebelasting op de maatschap als instrument voor vermogensplanning.
De term ‘financiële activa’ omvat een zeer ruime waaier aan (beleggings)producten die sedert 1 januari 2026 aan de nieuwe meerwaardebelasting onderworpen worden. De toepassing hiervan in een aantal specifieke gevallen zoals bijvoorbeeld de cashrekeningen in buitenlandse valuta die aan een effectenrekening zijn verbonden of de deelbewijzen van een maatschap doet voorlopig wel nog wat vragen rijzen.
In een volgend artikel in deze reeks zullen wij voor de financiële activa binnen het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting toelichten welke de belastbare handelingen zijn die tot heffing aanleiding kunnen geven.
VOETNOTEN
(1) Artikel 90, eerste lid, 9°, c) Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (“WIB”) jo. artikel 92 WIB.
(2) Zoals gedefinieerd in artikel 2, 1°, a) tot en met k) van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.
(3) Art. 92, §1, c°) WIB 1992