
Om in 2029 een werkgelegenheidsgraad van 80% te bekomen, moeten er zo’n 530.000 werkenden binnen de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar bijkomen.
In 2025 is in Vlaanderen 77,3% van de 20-64-jarigen aan het werk, in Wallonië bedraagt de werkgelegenheidsgraad 67,9% en in Brussel 63,9%.
Wanneer we de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen over een periode van 25 jaar bekijken, stellen we vast dat die sinds 2000 een licht stijgende tendens vertoont. In 2000 bedroeg de werkgelegenheidsgraad 65,8% en in 2025 ligt het percentage werkenden 7 procentpunt hoger (72,8%).
We noteren een sterke inhaalbeweging bij vrouwen waardoor de kloof met de werkgelegenheidsgraad van mannen nog 7,1 procentpunt bedraagt in 2025 tegenover 19,5 procentpunt in 2000. In 2025 is 69,3% van de vrouwen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk tegenover 76,4% van de mannen.
Opvallend is de sterke stijging van de werkgelegenheidsgraad bij 55-plussers, terwijl die bij 20- tot 54-jarigen stabiel blijft. In 2000 werkte 26,3% van de 55- tot 64-jarigen; in 2025 is dat 61,5%. De kloof met de werkgelegenheidsgraad van 20- tot 54-jarigen (76,2%) blijft met 14,7 procentpunt aanzienlijk, maar is wel sterk verkleind in vergelijking met 2000, toen ze nog 47,6 procentpunt bedroeg.
Een aantal kwetsbare groepen laat in 2025 nog steeds een lage werkgelegenheidsgraad optekenen. Zo is amper een kleine 27% van de personen met ernstige langdurige hinder in dagdagelijkse bezigheden door een handicap, een aandoening of een ziekte aan het werk, 46,7% van de personen met een laag onderwijsniveau en 59% van de personen met een niet-EU27-herkomstnationaliteit.
Omdat de wettelijke pensioenleeftijd in 2025 steeg van 65 jaar naar 66 jaar zal Statbel vanaf nu een aantal werkgelegenheidsgraden publiceren voor alternatieve leeftijdsgroepen, waaronder die van 20-65-jarigen (71,7% in 2025) en 55-65-jarigen (57,7% in 2025). De hoofdindicator waarover Statbel zal communiceren blijft echter de werkgelegenheidsgraad van de bevolking van 20 tot en met 64 jaar, het is namelijk op basis van deze indicator dat de doelstelling van een werkgelegenheidspercentage van 80% in 2029 is bepaald.
Naast de eerste jaarresultaten zijn de resultaten uit het vierde kwartaal bekend: de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen wordt in het vierde kwartaal van 2025 geschat op 72,8% en de IAB-werkloosheidsgraad op 6,5%. Beide indicatoren blijven stabiel ten opzichte van het derde kwartaal van 2025.
Verdere details over zowel de kwartaal- als jaarresultaten leest u hieronder. De meer gedetailleerde jaarcijfers worden vanaf 24 maart verspreid.
In het vierde kwartaal van 2025 wordt de werkgelegenheidsgraad bij 20 tot 64-jarigen geschat op 72,8%. Dat is een stabilisatie ten opzichte van het derde kwartaal van 2025. In absolute termen betekent dat er in het vierde kwartaal van 2025 naar schatting 4.937.000 mensen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn in België. Als we de populatie van 15 jaar en ouder bekijken, gaat het om 5.154.000 werkende personen.
Bij zowel mannen als vrouwen stabiliseert de werkgelegenheidsgraad. Het percentage werkenden in de bevolking van 20-64-jaar bedraagt 76,3% bij mannen en 69,3% bij vrouwen (grafiek 1).
In het vierde kwartaal van 2025 is naar schatting 77,1% van de 20-64-jarigen in Vlaanderen aan het werk, 67,9% in Wallonië en 64,3% in Brussel (grafiek 2).
In het vierde kwartaal van 2025 bedraagt de IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen 6,5%, wat hetzelfde percentage is als in het derde kwartaal van 2025. Bij vrouwen wordt de werkloosheidsgraad geschat op 6,2%, bij mannen op 6,7%.
In absolute termen zijn er in het vierde kwartaal van 2025 naar schatting 352.000 IAB-werklozen van 15 jaar en ouder: 160.000 vrouwen en 192.000 mannen.
De werkloosheidsgraad van Brussel wordt in het vierde kwartaal van 2025 geschat op 11,7% ten opzichte van 13,1% in het derde kwartaal. In Wallonië noteren we een werkloosheidsgraad van 8,3% en in Vlaanderen is 4,6% van de beroepsbevolking werkloos.
Bij het beschikbaar komen van de resultaten van het vierde kwartaal van 2025, kunnen ook de eerste jaarresultaten berekend worden als gemiddelden van de vier kwartaalcijfers van 2025.
In 2025 bedraagt de Belgische werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen 72,8%, de IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen wordt geschat op 6,2% en de activiteitsgraad van 15-64-jarigen op 71,9%. Deze drie kernindicatoren liggen in 2025 hoger dan in 2024 toen de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen 72,3% bedroeg en de IAB-werkloosheidsgraad en activiteitsgraad van 15-64-jarigen respectievelijk 5,8% en 70,8%. De toegenomen arbeidsmarktdeelname weerspiegelt zich in een afname van het percentage niet-beroepsactieven in de bevolking van 15-64 jaar, van 29,2% in 2024 naar 28,1% in 2025.
België heeft in het regeerakkoord een werkgelegenheidsgraad van 80% in 2029 vooropgesteld. Om dit doel te bereiken moeten er zo’n 530.000 20-64-jarigen bijkomend aan de slag. Momenteel zijn er 4.938.000 20-64-jarigen aan het werk, in 2029 zouden dat er ongeveer 5.470.000 moeten zijn om de doelstelling te behalen.
In 2025 werd de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd van 65 jaar naar 66 jaar. Daarom zal Statbel ook de evolutie van de werkgelegenheidsgraad van 20-65-jarigen opvolgen. Die bedraagt 71,7% in 2025 en ligt iets lager dan de werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen (72,8% in 2025). Grafiek 5 geeft de evolutie van de werkgelegenheidsgraad van beide leeftijdsgroepen volgens geslacht weer.
Nog meer alternatieve werkgelegenheidsgraden voor België en de regio’s.
De werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen blijft de hoofdindicator waarover Statbel zal communiceren. Het is diezelfde leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar die in beschouwing wordt genomen voor het opvolgen van de doelstelling om een Belgische werkgelegenheidsgraad van 80% te behalen, net als voor Europese vergelijkingen. Op Europees niveau werd immers de doelstelling bepaald om tegen 2030 78% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk te krijgen.
Naar regio blijven er grote verschillen bestaan: zo bedraagt de werkgelegenheidsgraad in Vlaanderen 77,3%, in Wallonië 67,9% en in Brussel 63,9%. De IAB-werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen wordt geschat op 4,3% in Vlaanderen, 7,9% in Wallonië en 12,7% in Brussel. Het percentage niet-beroepsactieven in de bevolking van 15 tot en met 64 jaar is ongeveer gelijk in Brussel (32,9%) als in Wallonië (32,3%). In Vlaanderen bedraagt de inactiviteitsgraad van 15-64-jarigen 24,9% (figuur 1).
Als we de werkgelegenheidsgraad doorheen de tijd bekijken (grafiek 6), stellen we vast dat die sinds 2000 een licht stijgende tendens vertoont. In 2000 bedroeg het percentage 65,8%, in 2010 67,6% en in 2020 70% om vervolgens verder te stijgen naar 72,8% in 2025 (grafiek 6).
Hierna bekijken we hoe de werkgelegenheidsgraad van een aantal subpopulaties evolueert.
Tussen 2000 en 2025 is het verschil in werkgelegenheidsgraad van mannen en vrouwen kleiner geworden. In 2025 heeft 76,4% van de mannen tussen 20 en 64 jaar een job en 69,3% van de vrouwen. In 2000 bedroeg de werkgelegenheidsgraad van mannen en vrouwen respectievelijk 75,5% en 56%. Het verschil in werkgelegenheidsgraad tussen mannen en vrouwen daalde daarmee van 19,5 procentpunt in 2000 tot 7,1 procentpunt in 2025, het kleinste verschil ooit.
Waar het percentage werkenden in de leeftijdsgroep van 25 tot en met 54 jaar de laatste 25 jaar vrij stabiel blijft, noteren we een sterke toename van de werkgelegenheidsgraad van 55-64-jarigen (grafiek 7). In 2000 was 26,3% van de 55- tot en met 64-jarigen aan het werk, in 2025 is dat percentage opgelopen tot 61,5%. De kloof met de werkgelegenheidsgraad van 20-54-jarigen (76,2%) bedraagt in 2025 nog 14,7 procentpunt. In 2000 bedroeg die kloof 47,6 procentpunt.
Nu de wettelijke pensioenleeftijd 66 jaar is in België, volgt Statbel ook de leeftijdsgroep van 55 tot en met 65 jaar op (Werkgelegenheidsgraad volgens alternatieve leeftijdsklassen). In 2025 is 57,7% van die leeftijdsgroep aan het werk, in 2024 ging het om 55,1% en gaan we terug naar 2000, dan was 24,4% van de 55-65-jarigen aan het werk.
Wanneer we de werkgelegenheidsgraden doorheen de tijd bekijken volgens onderwijsniveau, zien we relatief weinig evolutie (grafiek 8). De verschillen tussen de werkgelegenheidsgraden van hoog-, midden- en laaggeschoolden zijn de laatste jaren nog iets groter geworden. In 2025 heeft 86% van de hooggeschoolde 20-64-jarigen een job ten opzichte van 67,8% van de middengeschoolden en 46,7% van de laaggeschoolden.
We stellen wel vast dat steeds meer werkenden een diploma van het hoger onderwijs bezitten: in 2000 had een derde van de werkenden een diploma van het hoger onderwijs, terwijl in 2025 52% van de werkende bevolking hooggeschoold is. 37% van de werkenden is middengeschoold in 2025, dat is hetzelfde percentage als in 2000. Het percentage laaggeschoolden binnen de werkende bevolking bedroeg in 2000 30% voor 11% in 2025.
De werkgelegenheidsgraden van zowel personen met een Belgische, een EU27- als een niet-EU27-herkomstnationaliteit volgen een stijgende trend. De kloof tussen personen met een Belgische herkomstnationaliteit en personen met een niet-EU27-herkomstnationaliteit werd iets kleiner maar bedraagt in 2025 nog altijd 18,4 procentpunt ten opzichte van 23 procentpunt in 2003. In 2025 bedraagt de werkgelegenheidsgraad van personen met een niet-EU27-herkomstnationaliteit 59% ten opzichte van 71,4% bij personen met een EU27-herkomstnationaliteit en 77,4% bij personen met een Belgische herkomstnationaliteit.
De werkgelegenheidsgraden van personen die bij het uitoefenen van dagelijkse bezigheden op het werk of daarbuiten ernstige of matige langdurige hinder ervaren door een handicap, een aandoening of een ziekte volgen een stabiele tot licht stijgende tendens. Die werkgelegenheidsgraden verschillen sterk volgens de mate van de langdurige hinder: 60,6% van de bevolking van 20 tot 64 jaar met beperkte langdurige hinder door een handicap, een aandoening of een ziekte is aan het werk tegenover 26,8% van de personen die in erge mate langdurige hinder ervaren. De werkgelegenheidsgraad van beide groepen met langdurige hinder samen bedraagt 46,6%. Van de 20-64-jarigen zonder langdurige hinder door een handicap, een aandoening of een ziekte is in 2025 78,8% aan de slag.
De gerapporteerde cijfers vormen schattingen op basis van een steekproefenquête. Ze zijn gebaseerd op een effectieve steekproef van ongeveer 26.300 personen (respondenten) tussen 15 en 89 jaar in het vierde kwartaal van 2025. Het gaat om ongeveer 12.100 respondenten in Vlaanderen, 10.800 in Wallonië en 3.400 in Brussel. Voor het jaar 2025 gaat het om een effectieve steekproef van ongeveer 101.000 personen tussen 15 en 89 jaar: ongeveer 46.200 respondenten in Vlaanderen, 40.900 in Wallonië en 13.900 in Brussel.
De Enquête naar de Arbeidskrachten is een continue enquête. Dat wil zeggen dat de steekproef gelijk verdeeld is over de 52 (referentie)weken van het jaar. De geselecteerde respondenten beantwoorden een vragenlijst die hoofdzakelijk betrekking heeft op hun activiteit in de loop van een gegeven referentieweek. De hier gepresenteerde gegevens geven gemiddelden voor het kwartaal of het jaar weer.
Aangezien de EAK-vragenlijst sinds het eerste kwartaal van 2021 gewijzigd is, net als de IAB-definities over werkgelegenheid en werkloosheid, starten de hier gepresenteerde grafieken met kwartaalresultaten vanaf het eerste kwartaal van 2021).
Ondanks de grote steekproef waarop de cijfers gebaseerd zijn, moet men (zoals bij alle resultaten op basis van een steekproef) rekening houden met een bepaalde onzekerheidsmarge rondom de geschatte cijfers. Die onzekerheid vloeit enerzijds voort uit steekproeffouten, dat wil zeggen toevalsschommelingen die ontstaan doordat de resultaten gebaseerd zijn op een steekproef. Als er een andere steekproef getrokken was, dan hadden de resultaten lichtjes verschillend kunnen zijn. De graad van onzekerheid omwille van steekproeffouten wordt doorgaans uitgedrukt door middel van betrouwbaarheidsintervallen. De betrouwbaarheidsintervallen voor de werkgelegenheids- en werkloosheidsgraad van het vierde kwartaal van 2025 per geslacht en regio bevinden zich in bijlage 1 en 2. De betrouwbaarheidsintervallen voor de jaarlijkse werkgelegenheidsgraad, werkloosheidsgraad en activiteitsgraad per geslacht en regio bevinden zich in bijlagen 3 tot 5.
We bevelen aan om de trends eerder te evalueren over meerdere kwartalen of jaren heen, vanuit de redenering dat bepaalde toevallige steekproeffluctuaties op die manier minder zichtbaar zijn.
Naast steekproeffouten zijn resultaten op basis van een enquête ook onvermijdelijk onderhevig aan niet-steekproeffouten. Deze kunnen verschillende oorzaken hebben zoals bijvoorbeeld enquêteurseffecten, dekkingsfouten, non-responsvertekening. Dit soort fouten zijn veel moeilijker meetbaar en kwantificeerbaar en dienen geëvalueerd te worden op basis van kwaliteitsrapporten en informatie over de methodologie van de enquête.
In dit verband verwijzen we naar de kwaliteitsproblemen die begin 2025 aan het licht kwamen, en die werden besproken naar aanleiding van de publicatie van de cijfers van het vierde kwartaal van 2024. In de afgelopen kwartalen zijn verschillende maatregelen genomen om de kwaliteit van de enquête te verhogen. Op deze pagina geven we een stand van zaken omtrent deze kwaliteitsverhogende initiatieven.
Hoewel deze maatregelen gericht zijn op kwaliteitsverbetering, hebben dergelijke operationele ingrepen onvermijdelijk een impact op het veldwerk en kunnen ze op die manier ook de resultaten beïnvloeden. Om die reden hanteren we momenteel een eerder voorzichtige aanpak bij het interpreteren en beschrijven van kwartaal- en jaarevoluties.
De enquête is geharmoniseerd op Europees niveau. De definities over werkgelegenheid en werkloosheid die worden gehanteerd (zie tab “documentatie”) zijn die van het Internationaal Arbeidsbureau (IAB), waardoor een vergelijkbaarheid van de resultaten op internationaal vlak wordt gewaarborgd.
De werkgelegenheidsgraad van 20-64-jarigen geeft het percentage werkende personen in de totale bevolking van 20 tot en met 64 jaar weer.
De werkloosheidsgraad van 15-64-jarigen geeft het percentage werklozen in de beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) van 15 tot en met 64 jaar weer.
De activiteitsgraad van 15-64-jarigen geeft het percentage beroepsbevolking (werkende personen + werklozen) in de totale bevolking van 15 tot en met 64 jaar weer.
De inactiviteitsgraad van 15-64-jarigen geeft het percentage niet-beroepsactieve personen in de totale bevolking van 15 tot en met 64 jaar weer.
De som van de activiteitsgraad en de inactiviteitsgraad van een bepaalde populatie is 100%.
Laaggeschoolden zijn personen die maximaal een diploma hebben van het lager secundair onderwijs.Middengeschoolden zijn personen die een diploma behaald hebben van het hoger secundair onderwijs, maar geen diploma van het hoger onderwijs. Hooggeschoolden hebben een diploma van het hoger onderwijs.
De variabele herkomstnationaliteit houdt niet alleen rekening met de eigen huidige nationaliteit, maar eveneens met de eerst geregistreerde nationaliteit, alsook met de eerst geregistreerde nationaliteit van beide ouders. In vergelijking met de bestaande variabelen ‘nationaliteit’ en ‘geboorteland’ slaagt deze herkomstvariabele erin om een grotere groep personen met een buitenlandse herkomst te capteren. Deze variabele “herkomstnationaliteit” werd in 2021 door Statbel ontwikkeld op basis van nationaliteitsgegevens uit het Rijksregister en kon gekoppeld worden aan de Enquête naar de Arbeidskrachten vanaf jaargang 2003.
Schatting | Betrouwbaarheidsinterval | ||
|---|---|---|---|
Ondergrens | Bovengrens | ||
België | 72,8% | 72,0% | 73,5% |
Mannen | 76,3% | 75,3% | 77,2% |
Vrouwen | 69,3% | 68,2% | 70,3% |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | 64,3% | 62,1% | 66,5% |
Vlaams Gewest | 77,1% | 76,1% | 78,2% |
Waals Gewest | 67,9% | 66,6% | 69,2% |
Schatting | Betrouwbaarheidsinterval | ||
|---|---|---|---|
Ondergrens | Bovengrens | ||
België | 6,5% | 5,9% | 7,0% |
Mannen | 6,7% | 6,0% | 7,4% |
Vrouwen | 6,2% | 5,5% | 6,9% |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | 11,7% | 9,9% | 13,6% |
Vlaams Gewest | 4,6% | 3,9% | 5,3% |
Waals Gewest | 8,3% | 7,4% | 9,2% |
Schatting | Betrouwbaarheidsinterval | ||
|---|---|---|---|
Ondergrens | Bovengrens | ||
België | 72,8% | 72,3% | 73,4% |
Mannen | 76,4% | 75,8% | 77,1% |
Vrouwen | 69,3% | 68,5% | 70,0% |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | 63,9% | 62,4% | 65,3% |
Vlaams Gewest | 77,3% | 76,6% | 78,0% |
Waals Gewest | 67,9% | 67,0% | 68,8% |
Schatting | Betrouwbaarheidsinterval | ||
|---|---|---|---|
Ondergrens | Bovengrens | ||
België | 6,2% | 5,9% | 6,6% |
Mannen | 6,8% | 6,3% | 7,2% |
Vrouwen | 5,7% | 5,3% | 6,1% |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | 12,7% | 11,4% | 14,0% |
Vlaams Gewest | 4,3% | 3,9% | 4,7% |
Waals Gewest | 7,9% | 7,3% | 8,4% |
Schatting | Betrouwbaarheidsinterval | ||
|---|---|---|---|
Ondergrens | Bovengrens | ||
België | 71,9% | 71,4% | 72,3% |
Mannen | 75,7% | 75,1% | 76,2% |
Vrouwen | 68,1% | 67,4% | 68,7% |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | 67,1% | 65,9% | 68,3% |
Vlaams Gewest | 75,1% | 74,5% | 75,8% |
Waals Gewest | 67,7% | 66,9% | 68,5% |