
Daarin wordt een overzicht gegeven van de werkzaamheden van de Hoge Raad in 2025.
In bijlage bij dit jaarverslag vindt u ook de lijst met de adviezen van de Hoge Raad en de goedkeuringsprocedure van de beroepsnormen gedurende deze periode.

Zoals elk jaar bevat het voorwoord van de voorzitter de belangrijkste informatie die u moet weten, met name over de toekomst van onze economische beroepen en de beroepsnormen.
Omwille van de efficiëntie bieden wij u het volledige document in de bijlage aan, maar vindt u hieronder ook de volledige tekst van het voorwoord, die wij u aanraden aandachtig door te lezen
2025 was voor de Hoge Raad voor de Economische Beroepen een overgangsjaar.
Het jaar werd gekenmerkt door intense voorbereidende normatieve werkzaamheden, door uitgebreid overleg met het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR) en het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (ITAA), evenals door een grondige reflectie over de toekomst van onze economische beroepen.
Samengevat was 2025 een jaar van grondige analyses, waarvan de concrete resultaten in 2026 zichtbaar zullen worden.
Tal van dossiers die de Hoge Raad dit jaar met de nodige zorgvuldigheid heeft behandeld, soms na meerdere rondes van bespreking, herwerking en overleg, zullen pas in 2026 formeel worden goedgekeurd. Dit mag geenszins worden beschouwd als een teken van traagheid. Integendeel, het weerspiegelt de voortdurende wil van de Hoge Raad om zijn opdracht als bewaker van het algemeen belang te vervullen, zonder evenwel door de snelheid in te boeten op de kwaliteit, de coherentie en de rechtszekerheid van beroepsnormen.
Het meest in het oog springend voorbeeld van deze dynamiek zijn de gemeenschappelijke IBR-ITAA-normen
Na meerdere jaren van ontwikkeling heeft 2025 eindelijk een doorbraak mogelijk gemaakt in belangrijke normatieve ontwerpen: de “effectennorm”, de norm “ontbinding en vereffening”, de bijgewerkte “KMO-norm”, alsook de normen “fusies en splitsingen” en “omzetting”.
Voor elk van deze teksten formuleerde de Hoge Raad nauwkeurige en veeleisende opmerkingen, zowel met betrekking tot essentiële inhoudelijke aspecten als tot de redactionele consistentie.
Dit minutieuze werk, gevoerd in nauwe dialoog met beide instituten, heeft zijn vruchten afgeworpen. De besprekingen hebben geleid tot een aanzienlijke vooruitgang, waardoor in 2026 de goedkeuring kan worden gegeven en aanbevelingen kunnen worden geformuleerd.
Dit is wellicht het meest concrete voorbeeld van wat in 2025 werd uitgewerkt: een gewenste vlottere werkwijze, een meer gestructureerde en constructieve dialoog met de instituten en een beter wederzijds begrip van de verwachtingen. Dit zou in de toekomst moeten toelaten dat de termijn tussen de indiening van een ontwerpnorm en de definitieve goedkeuring ervan aanzienlijk wordt ingekort.
Dezelfde dynamiek vindt men terug op het vlak van de assurance van duurzaamheidsinformatie. In 2025 werd zowel door de Hoge Raad als door de federale Minister van Economie de specifieke beroepsnorm voor opdrachten van assurance van duurzaamheidsinformatie door de wet toevertrouwd aan de bedrijfsrevisor goedgekeurd. Dit vormt een noodzakelijke mijlpaal voor de uitoefening van deze nieuwe opdracht door de bedrijfsrevisoren.
Ook de ESEF-norm doorliep met succes alle fasen van het goedkeuringsproces. Deze twee verwezenlijkingen, die het resultaat zijn van veeleisende voorbereidende werkzaamheden, tonen aan dat de inspanningen die vooraf werden geleverd, zoals grondige analyses en overleg met de instituten, de FSMA, het College van toezicht en andere belanghebbenden, zich vertalen in stevige en toepasbare normatieve realisaties.
Tevens illustreert het dossier betreffende de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor deze overgangslogica.
De Hoge Raad onderzocht verschillende moderniseringsvoorstellen van het IBR, zoals het clusteren van de theoretische stage-examens, de vereenvoudiging van bepaalde modaliteiten van de praktische stage en een verbeterde omkadering van stagiairs.
Daarbij heeft de Hoge Raad echter steeds benadrukt dat de attractiviteit van het beroep niet mag worden verwezenlijkt ten koste van deskundigheid en professionele nauwgezetheid.
De in 2025 opgestarte uitwisselingen zullen in 2026 worden voortgezet, maar hebben reeds geleid tot een duidelijk kader voor verdere besprekingen, een noodzakelijke voorwaarde voor weloverwogen beslissingen over de toekomst van het beroep.
Op het vlak van de werking zelf van de Hoge Raad heeft 2025 het tevens mogelijk gemaakt om onze werkmethoden met de instituten verder te verfijnen.
De vele herhalingen die voor sommige dossiers noodzakelijk waren, denken we bijvoorbeeld aan de ITAA-norm inzake intern kwaliteitsmanagement, hebben het belang aangetoond van een voorafgaand en meer gestructureerd overleg tussen de Hoge Raad en de instituten, nog voor de formele indiening van verzoeken om goedkeuring of advies.
Deze les willen wij vanaf 2026 concreet in de praktijk brengen, met als doel meer vlotheid en voorspelbaarheid te brengen in de goedkeuringsprocedure van ontwerpnormen, zonder echter afbreuk te doen aan de grondigheid van het onderzoek dat het algemeen belang vereist.
Tot slot wens ik te onderstrepen dat dit overgangsjaar niet tot zo’n resultaten had kunnen leiden zonder de volgehouden inspanningen van de leden van de Hoge Raad en van het wetenschappelijk secretariaat. Dankzij hun deskundigheid en beschikbaarheid konden een aanzienlijk aantal complexe dossiers tegelijkertijd worden behandeld. Eveneens essentieel was de kwalitatieve samenwerking met het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, de FSMA, de NBB en de FOD Economie.
De Hoge Raad kijkt dan ook met vertrouwen 2026 tegemoet, voortbouwend op het voorbereidend werk dat in 2025 werd verricht. Verschillende belangrijke normen voor onze economische beroepen zullen dan eindelijk het licht zien. Ik ben ervan overtuigd dat de verfijnde werkmethoden, die dit jaar werden ontwikkeld ons zullen toelaten om toekomstige uitdagingen, -zoals de verdere evolutie van het Europese duurzaamheidskader, de hervorming van de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor en de voortdurende modernisering van het normatief kader, met meer slagkracht aan te pakken, zonder evenwel onze fundamentele opdracht uit het oog te verliezen: het waarborgen van een kwalitatief, consistent en rechtszekerheid verschaffend normatief kader ten dienste van het algemeen belang en van het vertrouwen dat ondernemingen, werknemers en overheden in de economische beroepen stellen.
Emmanuel Pieters, Voorzitter van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen