
Het Rekenhof wijst vooral op drie structurele zwakheden :
In de praktijk betekent dit dat een begroting er “op papier in evenwicht” uit kan zien, maar instabiel blijkt zodra de veronderstellingen worden getoetst aan gedrag, conjunctuur en implementatietermijnen.
De kern van de kritiek is de veronderstelling van het zogenaamde “derde deel”, gebruikt om de impact van de beperking/uitsluiting in te schatten :
Het Rekenhof betwist echter de aannemelijkheid van een snelle terugkeer naar werk en wijst erop dat de Nationale Bank eerder 10 tot 20% terugkeerders naar werk verwacht.
Ten tweede is er de verschuiving van lasten naar het RIS/OCMW. De teksten vermelden dat het aandeel verschuiving naar het RIS hoger kan zijn (in bepaalde grote Waalse steden wordt 40 tot 50% genoemd volgens gerapporteerde vaststellingen), en dat de begrotingscompensatie betwist wordt of onvoldoende onderbouwd is.
Voorbeeld (ter illustratie): als een gemeente 1.000 extra huishoudens ziet overschakelen naar het RIS met een tempo dat hoger ligt dan de federale veronderstellingen, is de impact niet alleen sociaal, maar ook begrotings- en operationeel (OCMW, begeleiding, personeel, financiering). Verschillen tussen veronderstelling en realiteit vertalen zich dan in “niet-begrote kosten” of “toe te voegen compensaties”.
Het bekritiseerde mechanisme lijkt op dat van werkloosheid: een verscherping van controles zou zorgen voor een “derde” terugkeer naar werk en een “derde” verschuiving naar het RIS.
Het Rekenhof merkt echter twee grote kwetsbaarheden op in de aangeleverde teksten :
Voor een praktijkdeskundige loopt dat uit op een eenvoudige regel: een “theoretische” voorwaardelijke besparing zonder uitvoeringsmiddelen heeft een hoge waarschijnlijkheid om bijgesteld te worden.
De regering verwacht structurele inkomsten (bijvoorbeeld 300 miljoen in 2026, 600 miljoen tegen 2029 volgens de tekst); maar het Rekenhof zegt de methodologie van de FOD Financiën om de schatting te evalueren niet ontvangen te hebben en merkt op dat het actieplan nog niet is geconcretiseerd.
De FOD Financiën rekent op een opbrengst (roerende voorheffing) van 236 miljoen in 2026, maar het Rekenhof benadrukt onzekerheden in parameters (beurskoersen, gedrag, opt-out, uitsluitingen van instrumenten, modaliteiten).
Het Rekenhof bekritiseert dat bepaalde modaliteiten afwijken van de oorspronkelijke veronderstellingen (vooral het tijdschema voor het overschrijden van de spilindex) zonder herwaardering van de opbrengst in 2026, wat kan leiden tot een overschatting.
In de teksten worden het afzien van bepaalde btw-verhogingen (cultuur/vrije tijd en afhaalmaaltijden) vermeld, wat een “gat” van meerdere honderden miljoenen euro’s veroorzaakt.
Wat de accijnzen betreft, stelt het Rekenhof vast dat de verwachte opbrengsten van de verhoging van accijnzen op aardgas met 195 miljoen overschat zouden zijn ten opzichte van de berekeningen van de FOD Financiën, zonder dat er een compensatiemaatregel is voorzien; en dat de impact van bepaalde verminderingen (bv. voor sociaal tarief) nog niet is verwerkt.
Deze punten hebben een praktische betekenis: de indirecte inkomsten (btw, accijnzen) kunnen snel “ontkoppelen” tussen intentie, juridische haalbaarheid, politieke aanvaardbaarheid en uitvoering. Wanneer ze wijzigen, moet de aanpassing elders komen.
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen aangekondigde bruto-inspanningen en de netto-verbetering van het saldo.
Volgens dit verhaal leidt een aangekondigde inspanning van 23 miljard, gevolgd door een extra pakket (9,2 miljard) niet mechanisch tot een evenredige vermindering van het tekort, omdat een deel daarvan nieuwe uitgaven financiert en omdat veronderstellingen (terugkaatseffecten, macro-economie) betwist worden.
Hier zien we een fundamentele kritiek die door het Rekenhof wordt uitgesproken: het enkel nastreven van een doelstelling rond de naleving van een Europese uitgavennorm zou op zichzelf de houdbaarheid van de openbare financiën op middellange termijn niet waarborgen.
Pakket maatregelen | Wat de regering “verwacht” | Wat het Rekenhof betwist (volgens de aangeleverde teksten) | Type risico |
Werkloosheid (hervorming) | Terugkeer naar werk voor een aanzienlijk deel van de uitgesloten personen; kostenverlaging | Veronderstelling van het “derde deel” is fragiel; terugkeer naar werk eerder 10–20%; verschuiving RIS/OCMW onderschat | Onderbesteding, overschatting van inkomsten |
Duurzaam zieken | Besparingen via versterkte controles | Kost RIS niet meegenomen; menselijke middelen (mutualiteiten/RIZIV) nog niet beschikbaar | Maatregelen niet tijdig uitvoerbaar |
Fiscale fraude | Structurele opbrengsten (gekost) | Plan niet geconcretiseerd; methodologie voor opbrengst niet meegedeeld | Onzekere opbrengst / uitstel |
Meerwaarden | Opbrengst 2026 gekost | Onzekere parameters, opt-out, uitsluitingen, gedragingen | Volatiele opbrengst |
BTW / accijnzen | Extra opbrengsten | Bedreigde inkomsten (BTW); overschatting accijnzen (aardgas) | Te compenseren tekort |
Gedeeltelijke indexatie | Besparingen 2026 | Werkelijk schema komt niet overeen met veronderstellingen; opbrengst niet herzien | Overschatting 2026 |
Om deze informatie om te zetten in professionele meerwaarde (zonder teksten die nog niet beschikbaar zijn te anticiperen), komen vijf operationele aanbevelingen naar voren :
De aangeleverde teksten beschrijven een klassieke maar bepalende sequentie: een ambitieuze begrotingsschets, gevolgd door een institutionele controle die fragiele veronderstellingen en kalenderonzekerheden aan het licht brengt.
Voor de boekhoudkundige en fiscale beroepsgroepen is de uitdaging dubbel: enerzijds begrijpen waar de herzieningsrisico’s liggen; anderzijds cliënten methodisch begeleiden in het omgaan met deze onzekerheid, zonder te snel te veel te interpreteren van begrotingscijfers zolang de implementatieparameters niet gestabiliseerd zijn.