
Laten we de harde feiten vaststellen. In 2025 zag een alleenstaande Belg met een gemiddeld loon 52,5 % van zijn loonkost opgeslokt door belastingen en sociale bijdragen. Dat is het record binnen de OESO — en het overstijgt het gemiddelde van de achtendertig onderzochte landen (35,1 %) met maar liefst 17,4 procentpunten. Diezelfde Belg heeft via zijn staat dat jaar bijgedragen aan een begrotingstekort van 5,3 % van het bbp. Ook dat is een record — dat van de negentien landen in de eurozone, die gemiddeld hun overheidsfinanciën slechts met 3,0 % zagen verslechteren. Twee records, twee keer de eerste plaats. Deze prestatie is uitzonderlijk.
De foute vraag is of er nog meer belast kan worden. De juiste vraag is te begrijpen hoe het, ondanks de reeds hoge belastingdruk, toch mogelijk is zo’n tekort te creëren. Want de Belgische arbeidsfiscaliteit is niet gering. De marginale fiscale druk voor een werknemer die 50 % van het gemiddeld loon verdient, bereikt 86,9 % — dat betekent dat op elke bijkomende bruto euro bijna 87 cent via heffingen of wegvallende rechten weer worden afgestaan. De overheid beschikt op papier dus over een ruimhartig gevulde belastinggrondslag. Maar het saldo klopt niet.
Een dergelijk marginaal niveau is niet onschuldig. Het betekent dat een bescheiden werknemer die overuren maakt of promotie krijgt, slechts een fractie van de brutowinst behoudt. Het gevolg is bekend: extra werk loont niet. En wat niet lonend is, gebeurt niet.
Een hoge fiscale druk zegt op zich niets over het budgettaire rendement. Het toont wat een baan kost. Het zegt niet hoeveel banen er zijn, noch op welk looniveau. Het vertelt ook niet of de publieke uitgaven die er tegenover staan sneller groeien dan deze belastinggrondslag. En net hier ligt de Belgische anomalie: we heffen veel, maar op een grondslag waarvan de dynamiek deels wordt afgeremd — door de last van de heffingen zelf, door een structureel lagere werkgelegenheidsgraad dan bij onze buurlanden, door een stabiele actieve bevolking die niet groeit. Veel heffen op weinig mensen levert uiteindelijk weinig op.
Het detail dat de OESO aanreikt, zegt veel. In 2025 bedraagt de totale loonkost van een Belgische werknemer met een gemiddeld loon 111.355 euro, tegenover 110.216 euro in Oostenrijk en 105.925 euro in Luxemburg. Wat de werknemer netto ontvangt, is het resultaat van een lang proces van ‘verdamping’. Voor de internationale klant wordt deze vergelijking duidelijk — en zelden in ons voordeel.
Huishoudens met kinderen betalen minder — 15,6 % minder voor een gehuwd koppel met twee kinderen en één loon, vergeleken met een alleenstaande zonder kinderen. Dat is de vijfde gezinsbonus binnen de OESO. Dit is één van de pluspunten van het systeem. Maar het tweeverdienersgezin met twee kinderen — de meest voorkomende gezinssamenstelling in ons land — draagt op zijn beurt de hoogste fiscale druk van de OESO, namelijk 44,8 %. Onderaan, bovenaan, halverwege: België drukt zwaarder dan zijn buurlanden, in alle gezinsconfiguraties. En toch levert het minder op. Het IMF verwacht een tekort van 5,1 % in 2026 en 5,2 % in 2027 als er niets verandert. Het Federaal Monitoringcomité ziet zelfs nog 4,9 % tegen 2029. Het Europese stabiliteitspact legt de limiet vast op 3 %. We liggen bijna tweemaal zo ver van die limiet dan het gemiddelde van onze partners.
Internationale vergelijkingen tonen keuzen. Frankrijk heeft zijn tekort met 0,7 procentpunt teruggedrongen in één jaar, terwijl België zijn tekort met 0,9 procentpunt zag groeien. Italië en Letland verlaagden in 2025 hun fiscale druk met meer dan één procentpunt via gerichte lastenverlagingen. Australië verlaagde dat met 1,67 procentpunt door een schalenhervorming. Deze landen ontdekten geen geheim. Ze besloten dat hun arbeidsfiscaliteit opnieuw in lijn moest zijn met hun economische ambities. Een keuze — die wij nog moeten maken.
Men kan spottend kijken naar de prestaties — kampioen in belastingheffing, kampioen in tekort. Men kan er ook, nuttiger, een analyse van maken. Het verschil tussen het OESO-gemiddelde en de Belgische druk bedraagt 17,4 procentpunten. Het verschil tussen het Europese gemiddelde en ons tekort bedraagt 2,3 procentpunten. Deze twee verschillen wegen op het publieke debat, en vroeg of laat zullen ze ook doorwegen op de rekening van de belastingbetaler. Voordat we vragen waar er meer kan worden geheven, moeten we de vraag stellen die niemand graag stelt: waarom levert zo’n hoge heffing zo weinig op? Het probleem is niet langer alleen het niveau, maar nu de coherentie. En die coherentie is op dit punt geen aanpassingsvariabele meer — ze wordt een programma.
Deze opinie werd ook gepubliceerd in La Libre Eco
Noten
1 OESO (2026), Belastingen op lonen 2026, OESO-uitgaven, Parijs.
2 IMF, statistieken over de overheidsfinanciën in de eurozone, april 2026.
Afin de faciliter l’accès au contenu de cet article, une version traduite a été mise à disposition au moyen d’un outil d’intelligence artificielle. La Fondation décline toute responsabilité quant à la qualité, à l’exactitude et à l’exhaustivité de cette traduction automatique, notamment en ce qui concerne l’emploi de terminologies techniques, juridiques ou fiscales spécifiques.
L'article original a été rédigé en Français. En cas de divergence d’interprétation, seule la version originale fait foi.