
De 18% komt rechtstreeks uit de wet van 26 maart 1999. Dit is het percentage dat wordt toegepast op de onderliggende waarde om het voordeel van alle aard (VAA) van een optie met een maximale looptijd van 5 jaar te bepalen.
De wet voorziet vervolgens een verhoging van 1% per extra jaar boven de 5 jaar. De opties die Call+ aanbiedt aan bedrijfsleiders hebben een looptijd van 10 jaar. Zo kom je uit op 23%: 18% + 5 extra jaren.
Zoals hierboven uitgelegd, is 23% het percentage van de onderliggende waarde dat het VAA bepaalt voor een standaardoptie van 10 jaar. Dit percentage wordt concreet gebruikt om het aantal toe te kennen opties te berekenen.
Voorbeeld:
Voor een plan met een maximum van €5.000 VAA, met opties van 10 jaar op een onderliggende waarde van €100 op het moment van toekenning, kan de vennootschap dus maximaal 217 opties toekennen.
Dit percentage verschijnt in documenten en kan gevraagd worden door het sociaal secretariaat. Het blijft een technisch berekeningselement en hoeft niet spontaan gecommuniceerd te worden aan de bedrijfsleider.
De 20% heeft twee verschillende betekenissen, wat vaak voor verwarring zorgt.
Om discussies over misbruik te vermijden, werd aanvaard dat het VAA van het optieplan maximaal 20% mag bedragen van de totale verloning van de bedrijfsleider, inclusief VAA. Dit is een “inclusieve” berekening.
Voorbeeld:
De 25% is gewoon een andere manier om dezelfde limiet als de 20% uit de ruling weer te geven, maar zonder het VAA in de berekeningsbasis op te nemen. Dit is een “exclusieve” berekening.
Voorbeeld:
Dit cijfer is vaak duidelijker voor de cliënt: je deelt gewoon het geplande VAA door de verloning van het vorige jaar om te controleren of de limiet gerespecteerd word
PERCENTAGE | BETEKENIS |
|---|---|
18% | Wettelijke basis: VAA op onderliggende waarde (optie van 5 jaar) |
23% | Praktische toepassing (10 jaar: 18% + 5%) |
20% | Proportionaliteitsregel (ruling) + voorwaarde verlaagd Venn.B.-tarief |
25% | Zelfde limiet als 20%, anders berekend |