Circulaire 2019/C/23 betreffende het begrip 'gebruik als persoonlijk vervoermiddel' in het kader van de gunstregeling inzake Btw voor autovoertuigen van bepaalde invaliden en gehandicapten

De Algemene Administratie van de Fiscaliteit publiceerde op 13/03/2019 de circulaire 2019/C/23. Deze circulaire licht het begrip 'gebruik als persoonlijk vervoermiddel' in het kader van de gunstregeling voor bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten toe, alsook de voorwaarde betreffende het gebruik van het voertuig zonder de aanwezigheid van de laatstgenoemden.


I. Inleiding

Voor een algemene toelichting bij de gunstregeling voor bepaalde categorieën van invaliden die een autovoertuig aankopen wordt verwezen naar de btw-commentaar 'boekwerk II, Hoofdstuk 7, Afdeling 3, titel 22'.
Gelet op het strikt karakter van de wettelijke bepalingen kan de vrijstelling van de verkeersbelasting en de toepassing van de gunstregeling inzake btw inzake de aankoop en het onderhoud van een voertuig slechts in een beperkt aantal gevallen worden toegestaan. De door de huidige wetgeving voor de toepassing van genoemde gunstregelingen opgelegde voorwaarden kunnen een bron van moeilijkheden zijn in geval van gebruik van het voertuig zonder dat de gehandicapte zich aan boord bevindt.
Deze circulaire gaat daarom dieper in op het begrip 'gebruik van het voertuig als persoonlijk vervoermiddel van de invalide'.
Op 28.11.2007 heeft het Grondwettelijk Hof in dat verband overigens een arrest nr. 148/2007 gewezen, betreffende de vrijstelling voorzien in artikel 5, § 1, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
Huidige circulaire vervangt de circulaire AOIF nr. 15/2004 (nr. E.T.100.223) en nr. AINV 3/2004 (IR/IV-4/48.165) van 10.03.2004 en integreert voormelde rechtspraak. Wat de btw betreft is deze circulaire van toepassing voor het hele Belgische grondgebied.
Wat de verkeersbelasting betreft is deze circulaire enkel van toepassing voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het Vlaamse en het Waalse Gewest hebben respectievelijk vanaf 01.01.2011 en 01.01.2014 zelf de dienst van de verkeersbelastingen overgenomen.

II. Begrip 'gebruik als persoonlijk vervoermiddel'

Uit de bepalingen van betreffende gunstregeling zelf (artikel 77, § 2, van het Btw-Wetboek, KB nr. 20, bijlage, tabel A, rubrieken XXII enXXVI) blijkt dat de fiscale voordelen ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten die een autovoertuig voor personenvervoer langs de weg gebruiken, een strikt persoonlijk recht zijn die slechts worden verleend aan de invalide of de gehandicapte zelf.
De gunstregeling kan slechts worden toegestaan voor één enkel voertuig tegelijk per begunstigde. Het voertuig moet in beginsel ingeschreven worden bij het DIV op naam van de invalide of gehandicapte zelf.
Niets belet uiteraard dat de invalide of gehandicapte zich met het voertuig verplaatst in gezelschap van andere personen of dat hij, in zijn aanwezigheid, het besturen toevertrouwt aan een verwant of zelfs aan een derde.
Het voertuig mag daarentegen in principe niet worden gebruikt zonder de invalide of gehandicapte. De fiscale voordelen worden immers slechts verleend om tegemoet te komen aan de verplaatsingsmoeilijkheden van laatstgenoemde.
In dit kader dient de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof zoals ze voortvloeit uit arrest nr. 148/2007, gewezen op 28.11.2007, inzake de vrijstelling van de verkeersbelasting, te worden toegepast.
Gelet op die rechtspraak wordt het recht op vrijstelling van de verkeersbelasting bevestigd in volgende situatie: ongeacht de aard van de verplaatsingen, wordt de vrijstelling van de verkeersbelasting toegekend voor het voertuig dat wordt bestuurd door de echtgeno(o)t(e) (of door een andere persoon die deel uitmaakt van het gezin) van de gehandicapte persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven (1) en die niet in staat is persoonlijk te sturen, op voorwaarde dat de gezondheidstoestand van die persoon het bezit van een voertuig vereist en het gaat om het enige voertuig van het gezin.

(1) Zie onder meer de schriftelijke parlementaire vraag nr. 320 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Leen Dierick van 28.03.2011.
Voormelde bepalingen moeten eveneens worden toegepast met betrekking tot de fiscale voordelen inzake btw.

In de andere gevallen dan deze beoogd door het randnummer 9 (2) geldt het volgende.
(2) Het gaat dan, bijvoorbeeld, om de gevallen waarin een andere persoon dan deechtgeno(o)t(e) het voertuig bestuurt of omdat het gezin over meer dan een wagen beschikt dat kwalificeert als het persoonlijk voertuig van de invalide.
Wanneer de invalide of gehandicapte niet zelf met de wagen kan rijden en afhankelijk van de bestemming en de omstandigheden, kan het voorkomen dat de persoon die hem vervoert naar een bestemming (school, werk, ziekenhuis), daar niet blijft wachten, vervolgens zonder de invalide of gehandicapte met de wagen terugkeert naar het huis van laatstgenoemde en dat die persoon op een later tijdstip vanaf die plaats weer vertrekt om de invalide op te halen.
In deze context is de administratie er altijd van uitgegaan dat er een onmiddellijk verband is tussen die uitzonderlijke trajecten zonder de invalide of gehandicapte en de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van betrokkene, zodat die trajecten het voordeel van de fiscale gunstregelingen niet in het gedrang brengen.

De administratie aanvaardt tenslotte voortaan ook dat een gezinslid of een derde, alleen, met het voertuig, boodschappen doet ten behoeve van de invalide of gehandicapte die, om gezondheidsredenen, zijn woning tijdelijk niet kan verlaten.

Behalve die gevallen waarvoor een tolerantie logischerwijze gerechtvaardigd is, beantwoordt elk ander gebruik van het voertuig zonder de invalide of gehandicapte niet aan de doelstellingen die aan de basis lagen van de invoering van betreffende gunstregeling. Die gunstregeling sloot aan op een bepaling met dezelfde optiek die bestond in het stelsel van de met het zegel gelijkgestelde taksen vóór de invoering van de btw in 1971. Het oneigenlijk gebruik van het voertuig heeft dus het verlies van de

Elke uitgesproken uitbreiding van de toepassing van betreffende gunstregelingen, zoals de afschaffing of een volledige versoepeling van de voorwaarde inzake het gebruik van het voertuig door de invalide of gehandicapte, zou niet alleen in strijd zijn met de basisprincipes van die regelingen maar zou bovendien ook de gunstregeling inzake btw in het gedrang brengen. De Europese Commissie heeft immers de toelating tot die fiscale gunstregeling uitdrukkelijk gekoppeld aan de voorwaarde dat België die regeling niet wijzigt.

III. Bijzondere gevallen met betrekking tot de minderjarige invalide

Om volledig te zijn, herinneren we eraan dat wanneer het invalide of gehandicapte kinderen betreft, het voertuig meestal bestuurd wordt door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte die minderjarig is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid is geplaatst (3). Die wettige vertegenwoordiger is trouwens belast met het verrichten van alle rechtshandelingen die betrekking hebben op het voertuig en die de invalide of gehandicapte ingevolge zijn handelingsonbekwaamheid niet zelf kan stellen.
(3) Het voertuig moet ingeschreven worden op naam van de invalide of op naam van diens wettige vertegenwoordiger (zie beslissing nr. E.T.116.207 van 05.05.2009).

Rekening houdende hiermee aanvaardt de administratie het gebruik van het voertuig zonder het invalide of gehandicapte kind die minderjarig is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid is geplaatst, voor zover:
- het voertuig door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte wordt gebruikt en
- het gaat om het enige voertuig van het gezin.
De vereniging van deze twee voorwaarden is noodzakelijk en voldoende opdat het recht tot voormelde fiscale voordelen zou ontstaan. Geen enkel bijkomend bewijs betreffende de aard van verplaatsingen waarvoor het voertuig door de wettelijke vertegenwoordiger wordt gebruikt, kan worden geëist.

Deze versoepeling zal worden gehandhaafd tot op het ogenblik dat de betrokken invalide in aanmerking komt voor hetzij de inkomens-vervangende tegemoetkoming, hetzij de integratietegemoetkoming bedoeld door de wet van 27.02.1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap (Belgisch Staatsblad van 01.04.1987).
15. De gunstregeling kan slechts worden toegestaan voor één enkel voertuig tegelijk per begunstigde (het minderjarig kind). Gelet op de voorwaarde van persoonlijk gebruik door de invalide van het desbetreffende voertuig is het inherent aan de toepassing van de gunstregeling dat, in geval van echtscheiding van de ouders van het kind, enkel de ouder bij wie het gehandicapte kind zijn domicilieadres heeft en waar het bedoeld en het invalide kind in principe hoofdzakelijk verblijft, de gunstregeling kan aanvragen.
Indien de huisvesting van het kind echter gelijkmatig is verdeeld over beide ouders, terwijl het kind bij een van hen is gedomicilieerd, heeft de btw-administratie beslist dat bij de aanvraag van de gunstregeling een overeenkomst of een rechterlijke beslissing kan worden voorgelegd waarin wordt vastgesteld wie van beide ouders de gunstregeling kan aanvragen.
Zoniet gaat de administratie ervan uit dat de gunstregeling inzake btw enkel kan worden aangevraagd door de ouder bij wie het invalide kind zijn domicilieadres heeft (zie beslissing E.T.121.528 van 22.07.2013).

Bron: Fisconetplus

      Tags

      • Belasting over de toegevoegde waarde
      • invaliden
      • gunstregeling inzake btw
      • gehandicapten
      • vervoermiddel